Zonder bed

door V. Herman

Een kroeg waar je vertrekt zonder iemand te groeten, kwart over drie. Het is koud buiten. Twintig minuten lopen door de donkere stad, naar mijn lege bed. Ik wil er niet aan denken.

Op mijn kamer pak ik de oude schooltas en doe er de wegenkaart van Nederland in, drie appels, het potje augurken dat ik vandaag kocht en een aangebroken pak melk. Een wasknijper moet voorkomen dat het pak gaat lekken.

In het gangetje naast het huis staat mijn fiets. Tas tussen de snelbinders. Ik mag 'm niet binnen zetten van het domme wijf dat mijn hospita moet voorstellen. Ik heb me voorgenomen het huis in de fik te steken als de fiets gejat zou worden, want hij was van mijn opa en die is dood.

Een krengspie is versleten, mijn linkerknie krijgt bij elke omwenteling van de pedalen een klap. Ik fiets naar de Hertoglaan, een tweebaansweg plus fietspad van tegels. Het zadel kraakt, elke omwenteling klinkt een droge tik door de versleten krengspie, maar verder is het stil.

Veel zinnigs schiet me niet te binnen na een koude voorjaarsnacht drinken. Het vertrouwde gevoel van mislukking, dat wel. Fietsen dan maar. Straatverlichting wordt schaars buiten de stad, alleen bij een kruising of een rijtje huizen licht het op. De strook gras tussen tegelpad en tweebaansweg verdwijnt en ik fiets over asfalt.

Het tempo daalt. Ik moet pissen van het bier. Ik leg de fiets in de berm en pis over de tweebaansweg. Ik pak de fiets weer op en er komen witte druppels uit de tas. Stik maar. Waarom wordt het niet licht?

Het duurt lang voordat ik meer ga zien. Meer van mijn bleke handen op het stuur, meer weiland opzij, meer bomen in de verte. Ik voel aan mijn wangen. Koud, maar de nacht trekt eruit.

De nieuwe dag begint. Nog zat en nog koppijn, maar het is een andere dag dan gisteren en dat volstaat op dit moment. Fietsen, sneller. Ik voel mijn bovenbenen. Bij een boerderij vlak langs de weg stap ik af. Aan de buitenmuur zit een kraan en ik drink vijf handen water. Uit de tas haal ik de kaart, ik gooi het pak melk op de weg. Op de kaart zie ik dat het nog vier kilometer is naar de volgende stad. Maar ik hoef niet er niet doorheen, ik kan er ook omheen.

Achter de weilanden is nevel, daarboven wordt het lichtblauw. De kleur van het gras en het silhouet van de brug in de verte maken me bijna aan het huilen. Twee witte zwanen dobberen in de sloot. Dit ken ik niet.

Voorbij de stad begint een nieuw betegeld fietspad. Ik moet onder viaducten door, langs een hertenkamp of is het een kinderboerderij. De reeën lusten geen augurken. Wel appels.

De tik van de krengspie wordt erger, ik krijg pijn in mijn knie. Een half uur fiets ik met de pot augurken in mijn hand en dan gooi ik hem met een boog op de weg. Het is een mooie knatsj.

De dronkenschap wijkt, tijd om te rusten, iets te eten en te drinken. Als ik de volgende stad binnenrijd, vertelt een klok aan de gevel van een juwelier me dat het half negen is. Winkels zijn nog niet open. Ik moet dwars door de stad naar het station. Er is kermis in de stad, ik fiets over pleinen met colablikjes en afvalbakken besmeurd met mayonaise. Een elektrisch borstelwagentje van de gemeentereinigingsdienst draait rondjes.

Bij het station is het druk. De stoel in de restauratie is zacht en ik strek mijn benen. Het meisje dat de koffie en het broodje brengt, ziet er zo moe uit als ik me voel. Ik ben weer in een vieze stad, dit ken ik.

Het is nog een heel eind naar de laatste stad, zegt de kaart, nog vijftig kilometer. Het laatste restje nacht is verdwenen als ik weer op de fiets zit. Ik fiets nu gewoon door een stad, een flink eind langs het spoor, flats en dan jonge boompjes en dan weer weilanden. Lag ik maar in mijn bed, had ik kunnen uitslapen en de trein nemen naar huis. Was ik eerder geweest, en minder moe.

Het is bijna middag als ik in de straat van mijn vroegere middelbare school de tas tussen de snelbinders vandaan trek en in de lage struiken tussen plantsoen en stoep gooi.

Mijn moeder doet open.
- Jongen, wat zie jij eruit, kom erin.
Ze ziet de fiets.
- Ben je helemaal met de fiets?
- Ja. Ik ben wel moe.
- Dat geloof ik graag.
Ze kust me.
- Je stinkt ook wel een beetje.
- Ik ga in bad.

Ik spreid mijn vieze kleren over het krukje en de douche-cabine. Ik hou mijn hand in het water dat het bad vult. Zeep en shampoo leg ik op de rand, plus het scheeretui van mijn vader. Met een van de tandenborstels in het bekertje poets ik mijn tanden tot het bloedt. Mijn oren hebben zes wattenstaafjes nodig, mijn nagels een borsteltje. Dan ik het bad halfvol en ik stap erin. Een matje met rubbernoppen als matras. Als het bad vol is, draai ik de kranen dicht. Ik val in slaap.

Reactie(s)

Op dit artikel kan niet gereageerd worden.

---
---

 



Meld je aan voor de onregelmatig verschijnende Nieuwsbrief
of lucht gewoon je hart:

Email Bedgeheimen